TERUG  Home
 
De Dikken van Pamel

Begraafplaats van De Dikken

De Dikken, VICTOR  DE KLERCQ

(schrijfwijze volgens de geboorteakte door secretaris opgesteld,  maar ......de vader tekent met DE KLERCK )

( de schrijfwijzen in de literatuur veranderen dus weleens  ! )

leefde van 14 juni 1848 tot 16 februari 1885.

In de vroege morgen van maandag 16 februari 1885 heeft men hem dood gevonden in zijn bed. Echt ziek was hij niet geweest.

Twee dagen later werd hij begraven onder grote volkstoeloop : de zwaarste man ter wereld  in Pamel, volgens de kranten.

Onbewust en ongewild is de Dikke de niet-reizende Pamelse ambassadeur geweest : al zat hij soms halve dagen in zijn koele kelder verscholen als een kluizenaar, hij heeft een eeuw lang de naam van zijn dorp "Pamel" naar alle windstreken uitgedragen.

Zoals Waterloo het beeld van de leeuw en Napoleon oproept en Brussel dat van het Manneke Pis, roept Pamel het beeld van "De Dikke" op, maar..... De Dikke wacht nog steeds op enige officiële titel !

Al staat zijn naam niet in het Guiness Book, hij is het waard dat men zijn nagedachtenis verlevendigt ! Zijn naam en faam overleefden reeds een volle eeuw.

Als vroeger iemand "in lijke" lag, werd de kist, op de dag van de begrafenis op een berrie gezet met een donkere lijkwade erover. En buren droegen het lijk van het sterfhuis naar de kerk en van de kerk naar het kerkhof toe.  Voor De Dikke was er geen berrie en geen dragende buren : het kon gewoon niet !

Zijn leven was uitzonderlijk geweest, zijn begrafenis ook. Volk genoeg, maar weinig ingetogenheid en medeleven. Geen eigen kinderen, die een traan wegpinkten en ouders had hij niet meer.

De stemming van de begrafenis was eerder aan de plezierige kant, reeds door het potsierlijke van de begrafenisstoet !

De zwaarste man van Europa was gestorven en er was geen doodsbrief, geen bidprentje, geen redevoering van de burgemeester die zijn beroemdste parochiaan verloor.

Na de mis werd zijn lijk in een hoek van het kerkhof begraven. Zijn dramatisch leven was voorgoed afgesloten, maar de echo van dat leven zou nog lang nazinderen !

 

Hier volgt het leven van De Dikke van Pamel

 

In andere streken kruipen de kinderen uit de kolen of worden gebracht door de ooievaar, in Pamel komen ze de Dender afgevaren.

De 14 juni 1848, even voor het middaguur, spoelde hier een kindje aan in het gezin Joseph De Klerck-Smedt op de Kerkhofstraat 5.

Het wicht werd Victor geheten. Het wekte opzien dat de jongen te groot was voor elke wieg, dat elke doopmuts hem te klein was

en dat hij van de eerste dag zijn suikerklots inzwolg.

Met zo'n zoon mochten de buren "Jef Klerk" benijden, eens de bevalling achter de rug en de moeder weerom te been.

Een jongen ter wereld brengen van zo'n omvang, was zeker geen peulschilletje geweest.

Nu, het werd hen toch nog gejond, want het gezin De Klerck had nog niet veel geluk gekend in de kweek.

Het jaar tevoren, op 27 juli 1847, stierf het dochtertje Joanna Francisca, twee jaar oud, en vier dagen later ontviel de zoon Victorius I.

Daarbij kwam nog het sterfgeval van Jef's moeder, de dag van de begrafenis van het dochtertje.

Nu, Victor groeide op met een dag seffens en maakte zich geen zorgen of er genoeg eten was of niet. Hij was er toch te klein voor.

Moeders borsten waren immers droog en de muizen stierven in de schapraai.

Gelukkig had de plaag aan de patatten zich voorgaand jaar niet herhaald en zat in de kelder een flinke voorraad.

Als moeder daar aan dacht en haar kweeling bezag die steeds maar harder aan haar lege borsten trok, sloeg de angst haar aan het hart.

Wat een miserie hadden ze niet gekend in het jaar '45. In heel het dorp waren geen aardappelen te krijgen en bieten en schors werden er gegeten die winter.

Nochthans waren ze geen melkbaarden meer toen zij in de lente van het jaar '42 in het bootje stapten.

Jef was er 32 en zij 28 en wees. Haar vader had ze niet gekend, ze was er maar vier toen hij stierf.

Als moeder De Klerck daaraan allemaal dacht bekroop de angst haar en bad zij :"Van de plaag der patatten, verlos ons Heer."

Maar stilaan was het ergste voorbij. Victor kreeg genoeg eten.

Nonkel Pie en tante Doka, een ongetrouwde broer en zuster van Jef, die aan geen trouwen dachten, waren daar ook nog om een handje toe te steken.

Intussen noemde men Viktor allang "De Dikke". Het bleek dat de Dikke zich in geen schoolbank kon wringen. Zondermeer bleef hij thuis.

Hij leerde de gebruikelijke gebeden en de vier voornaamste waarheden van buiten. dit was voldoende voor zijn eerste-communiedag.

Op zijn twaalfde jaar wou zijn vader met zekerheid weten hoeveel zijn Dikke woog. Het was precies 112 kg levend gewicht.

De Dikke groeide in lengte en in breedte, naar voor en naar achter.

De Dikke werd een jolige kerel; hij groeide en hij bloeide en van de keerzijde van het leven wist hij niets af.

Alleen wanneer jeugdmakkers hem vroegen :"Dikke, zeg hoe zwaar weegt ge al ?", werd hij telkens humeurig.

De jeugd van Victor verliep gelijk elke jeugd : ravottend en spelend.

Dichtbij was de kerk en het kerkhof, omgeven van een hoge muur.

Het lopen op een brede platte arduinen, een meter boven de grond, het ganse kerkhof rond, was een zeer geliefd spel.

Als de De Dikke meedeed en hij vertrok op kop, was er geen middel te vinden hem voor te steken, dan was de eerste op voorhand gekend.

Dat was dan ook geen wedren meer en spoedig kwam er ruzie in het spel. Het was anders een aardig zicht.

De Dikke in volle lengte en breedte op de kerkhofmuur rondtoerend !

Vlotte het spel niet meer, dan trok De Dikke naar het water. Twintig meter verder liep de Dender die toen nog niet bevaarbaar was.

De Dender was langs beide zijden omgeven met hoog riet en struikgewas.

Spoedig volgde de hele bende en op een kwartier tijd spartelden allen met hun bloot bovenlijf in het water.

Hier was en bleef De Dikke de "primus". Nu was hij eerst goed in zijn element : hij dreef als een ton op het water.

De kleinsten leerde hij zich boven houden of hij trok al zwemmend de schuit vol knapen naar de overzijde.

Daar landen zij aan de lage meersen waarin middenin wild dooreengroeiende plant en struikgewas een grote ronde vormde,

laatste overblijfselen van een oud kasteel en omringende wateren.

Alleen durfden geen der snaken dit naderen, want zonderlinge geesten of misschien wel "kledde met de ketens" huisden daarin.

En de jaren gingen.

De Dikke ging naar een herberg op een zondagnamiddag.

Eens zat hij verdacht dicht bij een herbergprinses.

Toen de anderen zich vrolijk maakten over dit zonderling koppel, schoof de meid weg en snauwde :"Wat denkt ge wel, zo'n blauwe kiel."

De Dikke, moet ge weten, droeg naar boerengewoonte, op zon- en werkdag een blauwe kiel.

Daarop liet de Dikke een frak maken. Ze hing nog splinternieuw aan de kapstok, toen drie buurjongens binnenslopen, zich ruggelings

aan elkaar plaatsten en waarachtig met die éne frak waren ze alle drie gekleed !

Ze stonden in die frak te giechelen, toen onverwachts de Dikke binnenkwam. De kans was schoon.

De Dikke greep ze in dat frakske alle drie en sleepte ze briesend het kerkhofstraatje af.

Eer de drie het wisten, legde de Dikke een zware steen op hen en brulde "Zie, zo zwaar weegt de Dikke, zo zwaar weegt hij !"

Vikus werkte zich de eerste los  en warempel, daar kwam hij langs de mouw uit de frak gekropen !

Zo ging de enige frak die de Dikke ooit heeft bezeten, naar de vaantjes en het was in zijn blauwe kiel, dat hij op zijn twintigste jaar naar de keur ging.

In het station te Okegem kon hij noch door de voordeur, noch door de zijdeur, maar daar was aan te verhelpen door langs de sporen te gaan.

Maar weer kon hij door geen "portière", van geen enkele klas.

De stationschef liep met hem naar de postwagen, maar de chef-garde riep :"Compleet, compleet,..."

De paardenhandelaars die 's vrijdags naar Brusselmarkt rijden, zijn altijd grappige en sterke kerels geweest.

Ze hijsten de Dikke op de kap van een wagen. Nauwelijks had de Dikke de tijd om zich aan de verluchtingsbuizen vast te klampen of daar ging de trein.

Intussen telegrafeerde de stationschef naar Brussel-Noord. Heel Brussel was op het Rogierplein samen gestroomd. De Dikke was woedend.

Hij stak zijn tong uit. De mensen proestten het uit.

Op het Debrouckéreplein vroeg hem een agent of hij niet kon dansen. Precies of het hem niet meer kon schelen, hief de Dikke gewillig de kiel boven zijn hoofd,

maakte enige danspasjes en eindigde met op zijn billen te kletsen. De mensen op de straat plooiden in twee van de pret.

In de militiezaal kwam de Dikke zo geweldig onder de indruk van al die pracht, dat hij verbouwereerd tot de leden van de keuringsraad zei :

"God vordere u, heren." Al had hij de kracht en het gewicht van drie man, hij woog namelijk 232 kg, toch werd hij afgekeurd.

"God lone U daarom, Heren." zei de Dikke gemoedelijk. Van die dag af voelde de Dikke dat hij overal als stapelgek werd aanzien.

Zijn hart bloedde erbij. Hij was gevoelig.

Het zou verergeren. De Dikke kreeg een proces en moest naar het tribunaal. Die dag was het gehele kanton op de been.

De vrederechter las:" Eerste beschuldiging : Victor De Klerk, ge wordt er van verdacht, de haan van uw gebuur te hebben gewurgd."

"Wat hebt ge tot uw verdediging in te brengen ?". De Dikke antwoordde :"Dat zit zo. Mijn gebuur had een haan en twaalf hennen.

Hij voedert maïs, drie keer per dag. Maar telkens staat hij er met de zweep bij. Hij jaagt de haan weg terwijl de hennen eten en zegt :

Wie geen ei legt, krijgt geen eten ! Van altijd door te geelogen naar die maïs en nuchter rond de hennen te draaien, heeft de haan Sint-Vitusdans gekregen.

Hij is beginnen rond te draaien gelijk een tol tot hij onder de haag dood lag, wat niet belet heeft dat mijn gebuur hem heeft opgegeten.

De rechter :"Tweede beschuldiging : ge wordt verdacht de hond van een ander gebuur te hebben gewurgd. Wat hebt ge in te brengen ?"

De Dikke :" Die hond heeft men dood gevonden, met zijn staart in zijn keel. Dit zult ge verstaan als ge weet dat dit beest zoveel vlooien

op zijn staart had zitten, dat hij de godganse dag in een cirkeltje ronddraaide, om er met zijn muil bij te kunnen. Eindelijk is het hem gelukt

en dan is de hond in die vlooienstaart van hem gestikt !"

De derde keer sprak de rechter :" Vanuit uw keldervenster hebt ge een vrouw schrik aangejaagd, ze lag drie weken te bed en eist schadevergoeding

voor pijn en smart".

De Dikke wedervoer :"In juli laatstleden zat ik voor mijn keldervenster om de koelte. Die vrouw liep over de straat. Ze bleef eensklaps staan,

keek eerst naar rechts en links, kwam naderbij en stak haar arm door het keldergat. Wat ze daar had vergeten weet ik niet, ze greep me onder de kin,

maar om mijn gezicht door het keldergat te krijgen, waren haar vingers bijlange niet lang genoeg".

De rechter :"Ten vierde :ge hebt gepoogd de sabel van de champetter af te nemen".

De Dikke: Heer Vredrechter, ik zat weeral voor dat keldergat. De champetter zag me zitten. .Hij sprak ervan mijn dikke smoel daar weg te trekken.

Hij struikelde over zijn eigen woorden en had vreselijk de hik. Dan heeft hij zijn sabel door het keldergat gestoken en ik -die weet wat een champetter toekomt-

heb altijd door geprobeerd hem een fles lambik aan te reiken, maar hij stak altijd weer met die lat en een fles lambik aan een sabel vastmaken,

dat gaat niet, in geen geval".

Het gebrul en gelach in de zaal was zo geweldig dat het tegenverweer lam was geslagen.

De Dikke werd vrijgesproken.

Ja, de Dikke kon de mensen doen lachen. Maar hijzelf lachte niet. Hij was gevoelig en dan zo'n proces !

Hij verzwaarde nog immeraan en kon slechts nog hijgend en zwijmelend over de baan.

Snel gingen zijn geestelijke en lichamelijke krachten achteruit. Het ergste zou weldra komen.

In die tijd stond de kerktoren van Pamel scheef gelijk de muts van een zatterik. Iedere zondag keken de parochianen naar die zakkende toren.

In de mis zaten ze met de daver op het lijf. Ze konden iedere seconde.........de toren op hun hoofd krijgen.

Op een zondag nu, was de hoogmis pas aangevangen, toen De Dikke plots door zijn stoel zakte.

Dit gaf een vreselijk gekraak. Ieder riep :" De toren valt in, de toren valt !".

Al over de stoelen, over de communiebank, drumde iedereen gillend naar de sacristie, om langs daar weg te komen.

De balans van de ramp luidde : drie gebroken armen, vier gebroken benen.

Het was in de tijd der slepende rokken, een dozijn vrouwen vluchtten in vliegende vaan over het kerkhof.

Een enkele heer was er in de kerk geweest met een hoge buis. Een knaap had door die hoed getrapt en stond buiten te jammeren

met een blinkende haut-de-forme (hoge hoed) aan zijn been.

Het ergste was het eraan toegegaan op het dokzaal. Een zanger vluchtte hals over kop weg, maar achter hem viel de trapdeur in slot.

Het hele koor zat gevangen. De koster en de zangers trokken hun jassen over hun hoofd en knipten de ogen dicht om toch in het donker te kunnen sterven.

Alleen de pastoor bleef kalm. Met zijn kazuivel aan ging hij de laatste buiten en zie bedaard :"Het was alleen maar de stoel van "De Dikke" die brak".

Gehoon en gelach steeg op het kerkhof op.

Toen De Dikke eindelijk buiten geraakte, kwam er aan de verwijten en beschimpingen geen einde.

De Dikke won nog steeds in omvang en gewicht.

Vader en moeder De Klerck gingen fier op "hun" Dikke. De boerderij floreerde en De Dikke at dagelijks de boter af van 't vat waarin de melk van twee koeien geboterd werd.

Schippers die langs Pamel vaarden op de Dender, droegen de faam van De Dikke steeds verder. In Aalst, Dendermonde, Antwerpen, zelfs tot over het kanaal,

werd van hem gesproken en van heinde en ver kwamen ze af, simpele lui, rijke handelaars, edelen, om het "wonder" te zien.

Hiermee was De Dikke niet gediend en verstopte zich zo gauw die "pieten" in aantocht waren.

Zo geestig hij met de boeren omging, zo giftig werd hij tegen vreemden.

Eens kwam een buurvrouw met een rijke dame uit Ninove de Kerkhofstraat opgewandeld.

De Dikke, die juist bij Sus Barbé in de werkplaats zat, had het gezien. Hij smeet de deur toe en op het verzoek van de buurvrouw en de dame om te openen,

slingerde hij zulke grove verwensingen naar het hoofd, tot er gedreigd werd met een proces om smaad en hoon.

In Parijs geraakte hij gekend. Een circusdirecteur werd er op afgezonden. Daar hij De Dikke niet benaderen kon, riep hij de hulp in van de gemeentesecretaris

De Vidts van Ledeberg.

Met hun tweeën trokken ze erop af.

Ze troffen De Dikke thuis, schrijlings over een paar stoelen gezeten, de armen over de leuningen. Dit was zijn meest geliefde houding.

Hoe ze hem ook praaiden en prangden, De Dikke wou van geen tentoonstelling weten : "een prijsstier wordt geëxposeerd, maar geen mens".

Ook de formidabele som van 100.000 fr die op tafel werd gelegd, kon hem niet bekoren, evenmin aan zijn ouders.

De circusdirecteur mocht onverrichterzake afdruipen ........ 

De vroegere Kerk aan het Kerkhof van de Dikke van Pamel ?

Gebouw dat in 1874 werd opgericht door pastoor Van Mollem "tot het houden van vergaderingen der Broederschappen"

Vandaar die blinde vensters in de toenmalige kerkstijl.

 

Foto van Walter Mehlhaff, de dikste man in Duitsland, die tijdens een vermageringskuur overleed.

Doe er nog een speklaag van 50 to 75 kg bij en je kan je inbeelden hoe De Dikke van Pamel er uitzag.

 

Westhoek van kerkhof waar De Dikken begraven werd.

Verhaal :

Twee schrijnwerkers werkten 3 dagen aan de kist. Men kantelde De Dikken in die kist en daar lag hij dan met zijn rug naar boven.

Te laat bemerkte men dat De Dikke zijn teen van onder door de kist stak !

Zo werd De Dikke met zijn aangezicht naar beneden en de teen uit de kist, in de grond gelaten.

De uiterste hoek van het kerkhof had de grafmaker uitgekozen, zo dicht mogelijk bij de Dender

"Om de kerk, die reeds wankel stond, met zijn smeltend vet niet weg te spoelen".

Een jaar nadien, schoot als bij wonder, een wilg weelderig op, op het graf van De Dikke.

Niemand wist waar hij vandaan kwam, niemand had hem geplant !

Na enkele jaren was het een geweldige boom.

De dorpsfilosoof wist er een antwoord op :"Die grote teen van De Dikke heeft wortel geschoten en daar zie je hem groeien !".

In 1940 moest de muur van het kerkhof, omdat hij kaduk was, herbouwd worden.

De Dikken en de prachtige wilg wilde men respecteren en daarom bouwde men er een muur in driekwartcirkel omheen (zie foto).

Wat nu precies de oorzaak was weet niemand, maar de wilg stierf uit !

Het heeft er alle schijn van dat de metsers de teen van De Dikken wel eens wilden vinden en daar door de wortels van de wilg te zeer hebben beschadigd !

 

De circusdirecteur mocht onverrichterzake afdruipen en het is misschien wel de schuld van De Dikken dat Pamel, k buiten de grenzen, niet beroemd en gekend werd.

In eigen streek stond Pamel aangeschreven "als een zeer rare gemeente : de kerk stond te Okegem, de scholen te Ledeberg en de bevolking wonde te Pelk".

Op zekere dag kwam er bezoek uit Engeland, een lange magere seigneur. De Dikken zat op café, zijn stamcafé, naast de kerk.

Naar het schijnt was hij zeer verlekkerd, meer door de dochters dan door het zware hopbier dat er geschonken werd.

Daar De Dikken rade wat die vreemde seigneur van hem verlangde, bleef hij perplex op zijn stoel zitten. Het aanbod, een gouden horloge, wat in dit tijd een grote zeldzaamheid was,

sloeg hij af. Maar de baas wist raad.

Een natte zak werd p de schuw van 't huis gelegd en p minder dan een kwartier tijd stond gans de herberg vol roet en rook.

Kuchtend en hoestend trok iedereen ervandoor. Ook De Dikken moest wel opstaan.

En zo zag de Engelsman De Dikken in volle glorie. Of de gouden horloge aan de baas kwam, wordt niet verhaald. Denkelijk wel.

Die poets heeft hij de baas niet gauw vergeven. Luister hoe hij zijn wraak nam.

Voor de herberg waren een paar houten treden. Arduin kosten in die tijd nog stukken van mensen zodat alleen aan de huizen van begoeden en aan de hoven deze in gebruik was.

Op een avond had De Dikke de bovenste plank losgemaakt en stelde zich op de loer.

De voordeur ging open en in de streep licht die naar buiten viel, herkende De Dikke de baas die zijn hoofd door de deur kwam steken.

Dit was het geschikte ogenblik voor De Dikke.

Kwansuis deed hij of hij naar binnen ging en zette zijn voet op de hoek der bovenste trede, juist toen de baas er met zijn twee benen op post vatte.

De plank wipte en de baas, al over het hoofd van De Dikke, kwam tegen het kerkhofmuurtje terecht.

Een paar dagen kreeg men de baas niet te zien. Zijn hoofd had alle kleuren van de regenboog. "Zijn wijf heeft hem van den bezem gegeven" lachten de buren.

Alleen De Dikke wist het beter.

En de schrijnwerkerverdiende er ook nog wat aan, toen hij acht dagen later een nieuwe en stevige trap plaatste.

 

Aan het zorgeloze leven van De Dikke kwam eens een einde.

Dertig jaar lang had Pitje de door, de familie De Klerck gespaard, maar nu zou hij geweldig ingrijpen.

In de lente van 1882, de almanak wees 23 april, overleed de moeder van De Dikke, Joanna Maria Smedt, oud 68 jaar.

Dit was voor De Dikke een zware slag. Met oneindig moederlijke zorgen had deze vrouw haar 34-jarige zoon dag aan dag gewassen en gepoederd

in de vetlagen die armendik in de vouwen plooiden.

                                                           

Hieronder de Geboorteakte van De Dikke, later volgt de overlijdensakte

Samen met zijn vader verhuisde hij van de Piezelstraat 20, het "huis van balles", terug naar de Kerkhofstraat 5. Evenwel niet voor lang.

Nog geen jaar later volgde de vader Petrus Jozef De  Klerck, oud 62 jaar, de moeder in het graf.

Nu bleef  De Dikke alleen achter met zijn tante Donka, 86 jaar en zijn nonkel Pié, 79 jaar.

Met twee bejaarde mensen en De Dikke die zorgen baarde gelijk een kind, was het geen leven meer om uit te houden.

In de eerste weken  kwamen de verre familieleden af en toe een handje toesteken. Of het uit genegenheid was of in 't vooruitzicht van later, wordt niet verhaald.

Een suikernonkel en dito tante is meestal een vet aas waarop geloerd wordt en getracht naar de dood.

Toen kwam er een redding uit Aspelare.

Twee echtgenotes, hun naam is niet gekend, hielpen De Dikke over het ergste heen.

Tijdens de hoppluk, waaraan zij telkenmale meehielpen, wist de vrouw De Dikke te overhalen en hij trok mee naar Aspelare.

Hij werd er verzorgd en vertroeteld. Maar de aap komt eens uit de mouw.

Met hen zou hij zijn tweede grote reis maken die bij het begin als gesmeerd liep maar op een sisser afdraaide.

Spoedig was het nieuw verblijf van De Dikke gekend en de bezoeken bleven niet uit.

Zo kwam de directeur van een rondreizend circus dat te Gent zijn tenten had opgeslagen, op zekere morgen toe.

De Dikke was niet thuis en de vrouw (zijn hospita) kon aan de lokkende voorstellen van de directeur niet weerstaan.

Beiden kwamen overeen dat De Dikke op een bepaalde dag met hen naar Gent zou afreizen.

Eens zover, zou de directeur voor het nodige zorgen en een flinke publiciteit rond zijn naam voeren.

Maar hoe De Dikke naar Gent gekregen, dat was een heel probleem. Met haar man diepten ze alle mogelijke reden op, voor een erfeniskwestie

en getuigenverhoor, of wat ?

Ten laatste wisten ze De Dikke het aan te klappen om zich te laten onderzoeken door een specialist.

De laatste tijd ging het niet al te best met hem, een grote lusteloosheid lag over hem.

Op het einde van de week zou het vertrek naar Gent plaatshebben.

De vrouw wist van gejaagdheid geen blijf, het fortuin lachte haar tegen en zo dit eens mislukte ?

Eindelijk kwam de grote dag !

Heel in de vroegte op een zaterdag trokken ze met hun drie naar de statie.

De Dikke gelaten en van niets wetend gelijk een kalf dat naar de slachtbank wordt gebracht.

De bagagewagen was op voorhand besproken en op een paar omgekantelde kisten ging de tweede reis van De Dikke.......

Nu was het niet meer de jolige, uitgelaten Dikke, die in zijn schelmse vrolijkheid in het centrum van Brussel op zijn billen kletste en enige danspasjes

waagde, neen, nu bleef alleen een vormeloze massa vlees over, zonder veel wil en die weet dat het noodlot met hem parten heeft gespeeld.

Gent wachtte met spanning op de komst van De Dikke.

Grote plakbrieven waarop De Dikke in omvang op uitgebeeld stond, hingen aan de muren van de stad en vor de circusdirecteur ging het een reuze-ontvangst uitmaken.

Voor drie avonden waren alle plaatsen reeds uitverkocht en de vraag naar kaarten was zo groot dat de ontvangsten van acht dagen voldoende zouden zijn

om alle onkosten van een vol jaar te dekken.

In de statie te Gent kon De Dikke niet door de deuropening, evenmin door de uitgang langs de kettingen.

De kaartjesknipper wist raad. Hij leidde De Dikke en zijn gevolg naar de goederenstatie en langs de brede poort kwamen zij op de straat terecht.

Het hart van De Dikke stond stil !

Toen hij zijn beeld op de muren zag hangen, steeg de woede ten top.

Als een briesende leeuw ging hij tekeer en sprong de statie terug binnen. Als een geslagen en vertrapte hond kroop hij in een hoek van een goederenwagen,

zonder te weten waarheen of waartoe de trein zou rijden.

Drie volle uren bleef hij daar zitten, voortdurend gepaaid en gesmeekt door zijn begeleiders en de circusdirecteur, die al hun mooie toekomstplannen

zagen in duigen vallen.

Eindelijk zette de trein aan, die geen reizigerstrein bleek te zijn, doch een doodgewone goederentrein.

Zo geraakte De Dikke tot in de goederenstatie te Denderleeuw, waar geen mogelijkheid meer was om tot Okegem te rijden diezelfde dag.

In een herberg, dicht tegen de statie stapte hij binnen en vroeg aan de baas nachtgelegenheid.

De Dikke die in  Denderleeuw gekend was gelijk tevens overal, werd er goed ontvangen en spoedig had de waardin voor een stevig maal gezorgd

en het beste bed werd in gereedheid gebracht.

Hij bleef enkele dagen en de baas deed goede zaken. De klanten verdrongen zich om De Dikke meteen te zien.

Van al dat gedoe en geloop en gekijk moest hij nu eenmaal niet hebben en de godganse dag bleef hij op zijn stoel als genageld zitten.

Zelfs zijn natuurlijke behoeften deed hij waar hij zat en liet alles maar lopen.

De baas zou voor hem een nieuwe broek laten maken. De kleermaker werd geroepen en De Dikke de maat genomen.

Zeven meter, volle breedte stof kroop in die broek, genoeg voor twee kostuums, broek, vest en gilet voor een normaal mens.

Sus Barbé 's vrouw kwam toevallig in de herberg binnen.

De Dikke fleurde op toen hij een bekend gezicht zag, dat tevens een familielid was.

"Een dezer dagen ben ik daar" vertrouwde hij haar toe.

Zekere nacht werd bij Sus Barbé te Pamel op de deur geklopt en warempel, daar stonde De Dikke, doodop.

De weg van Denderleeuw naar Pamel had hij te voet afgelegd, drie volle uren had hij erop gegaan !

Hij werd in bed gestopt en weldra voelde hij er zich thuis.

De verbazing van de baas was groot toen hij het bed van De Dikke leeg vond en hij nergens te vinden bleek.

De nieuwe broek hing nog aan de nagel en aan de klanten en aan de bezoekers kon hij slechts dit nog tonen.

Net een ledige muil waar de vogel is gaan vliegen !

Van de nood een deugd makend, hing hij de broek in de herberg, ook dat trok bezoekers aan.

Vijftig jaar lang was het een lokmiddel, tot de broek naar Anderlecht verhuisde en vandaar verdween enkele jaren geleden.

De Dikke was weer thuis met zijn gewoonte van niets doen, hoe langer hoe meer gehinderd door de vetmassa.

Naar de kerk ging hij niet meer en de lange slierten kijkers die elke zondag langs de weg stonden kregen hem niet meer te zien.

Viel het weer mee, dan sleepte hij zich tot aan de Dender en zonder zich te ontkleden gleed hij in het water .

In ogenblikken van goed geluimdheid mochten de knapen op zijn buik gezeten, meevaren, soms met drie tegelijk !

Maar wee hem die zich niet stil hield ! Hij greep hen vast en dompelde onder water tot ze proestend en huilend beloofden het niet meer te doen.

Vele uren kon hij zo op het water drijvend liggen of in de zon te drogen, wachtend op de avond.

Hoeveel De Dikke het laatste jaar woog, kon niemand met zekerheid zeggen, met geen macht ter wereld kon men hem nog op een weegschaal brengen.

De geburen staken de hoofden bij elkaar en zouden er wat op vinden.

Soms ging De Dikke bij familie op bezoek, maar de laatste tijd kon hij zelfs niet meer tegen marcheren.

Het voorstel van een gebuur, er met de koets heen te rijden, werd door De Dikke met beide handen aanvaard.

Met een lichte tweewieler ging de reis.

Eens De Dikke plaatsgenomen, werd algauw met een scherf tegen het koetswerk een schrap gegeven tot op de hoogte van de ingedrukte veren.

Pas was de reis afgelopen of de koets werd met stenen gevuld  tot de veren op gelijk hoogte stonden. En deze gewogen.

Driehonderd vijfendertig kilo woog De Dikke bij benadering.

De Dikke werd hoe langer hoe meer eenzaat en mensenhater.

In de winter van 18835 werd hij ziek. Dokter Borgigon van Ledeberg werd er bijgeroepen.

"Het hart zwemt in 't vet". Sus Barbé werd om een fles gezonden en "alle uren een lepel", luidde het voorschrift.

De Dikke kreeg de kans schoon en zette de fles op de mond en dronk ze ineens uit.

Hij vaarde er niet beter of niet slechter bij.

In het begin der korte maand liep het met De Dikke op zijn einde.

In een weemoedig ogenblik rolden de tranen hem over de wangen en hij zuchtte :"Ik heb niemand iets misdaan, geen mens heb ik kwaad gedaan".

Wanneer hij stierf was hij 36 jaar.

De secretaris zat over het register gebogen. Buiten vierde de wind hoogtij en sneeuwvlokken plakten tegen de vensters. Een klop op de deur.

Met zo'n hondenweer kwam niemand naar het gemeentehuis of het moest voor een dringende zaak zijn.

"Binnen".

Pië Anthoons stapte binnen en meteen wist de secretaris wat er gebeurd was.

"De Dikke is gisterenmorgen gestorven, Secretaris", zegde Pië.

De Secretaris sloeg het zwart register open  en schreef :

Op heden zeventienden februari duizend achthonderd vijfentachtig, ten negen ure voormiddag zijn voor ons, Tibercius Van Tricht, Schepen,

Ambtenaar van den Burgerlijken stand der gemeente Pamel, Arrondissement Brussel, Provincie Brabant, verschenen :

Petrus Anthoons, oud zevenentwintig jaren, beroep landbouwer, wonende te Pamel, neef van de overledene en Petrus Schets, oud,

negenendertig jaren, beroep landbouwer, wonende te Pamel, geen bloedverwant van de overledene, dewelke ons verklaard hebben

dat Victor De Klercq, oud zes en dertig jaren, zonder beroep; alhier geboren en wonende, zoon van Josephus en van Joanna Maria Smedt,

beiden overleden, overleden is gisteren zestiende februari ten zeven ure 's morgens in zijn woonhuis, staande alhier wijk Pamel, Kerkhofstraat nr 5.

Na voorlezing hebben de Comparanten met ons getekend.

Hieronder de Geboorteakte van De Dikke

Nu volgde het geloop dat elk overlijden meebrengt, naar de pastoor, de grafmaker de luider, de schrijnwerker.

Twee schrijnwerkers werkten drie dagen aan zijn kist. Ze leek best op een stevige eiken kleerkast.

Men kantelde De Dikke in die bak en daar lag hij met zijn rug naar boven.

Het was op Assewoensdag dat de begrafenis plaatshad.

Nooit was er te Pamel zoveel volk te been, spijs de vele sneeuw die er lag.

Aan een berrie te gebruiken viel er niet te denken. Op een slede ging De Dikke zijn laatste gang.

Op een slede kwam hij in en uit de kerk. Te laat bemerkte men dat de dikke teen van De Dikke vanonder door de kist stak.

Zo werd De Dikke met zijn aangezicht nar beneden en de teen uit de kist in de grond gesloten.

De uiterste hoek van het kerkhof had de grafmaker voor hem uitgekozen, zo dicht mogelijk bij de Dender.

Dit "om de kerk die reeds wankelbaar stond, met zijn zijn smeltend vet niet weg te spoelen".

Het wordt een aangenaam gezicht, op de laatste dag des oordeels, om De Dikke zich achterwaarts uit de aarde te zien loswerken.

En toen gebeurde het wonder. Een jaar nadien schoot een wilg weelderig op het graf van De Dikke op.

Niemand wist waar hij vandaan was gekomen, niemand had hem geplant.

Na enige jaren werd hij een ferme boom.

In het dorp werd over de wilg gepraat, gekletst en nog wat. Daarmee werd geen mens wijzer.

Op zekere dag stond weer een schare Pamelaars rond die reuzenboom te praten.

Natuurlijk was de dorpsfilosoof er ook bij. Almeteens riep hij uit :"Ik weet het !".

"Leg uit, leg toch uit", praamden ze allemaal.

"Gemakkelijk genoeg", zei de man, "We hebben in die tijd De Dikke met zijn grote teen bloot in de grond gelaten,

hewel, dat komt uit, die grote teen van De Dikke heeft wortel geschoten, daar ziet ge hem groeien !"

Enkele jaren later, toen de kerkhofmuur kaduk werd, moest deze heropgebouwd worden.

En de heren "om de prachtige wilg niet te schenden" bouwden er een muur in driekwartcirkel rond.

"Uit vrees voor De Dikke zijn teen fluisterden kwatongen.

In elk geval, de wilg stierf uit. De metser had, op zoek naar De Dikke zijn teen, de grond tussen de wortels weg gepeuterd.

 

Hiermede eindigt het verhaal van De Dikke van Pamel. Niet alles is erover gezegd.

Hoe verder van hier, hoe groter zijn daden, zijn omvang.

In de streek van Dendermonde wordt hij voorgesteld als "de boeman" voor de kinderen.

En wanneer de kinderen er niet braaf zijn geweest, moeten de ouders maar zeggen :"De Dikke van Pamel gaat komen" om hen de bibber

op het lijf te halen, nog erger als voor "kledden", of "zwarte katten die op een bezemsteel door de lucht razen".

EINDE